Overslaan en naar de inhoud gaan

Bob Elsen is mede-oprichter van Joker en jarenlang CEO, tot hij in 2018 opgevolgd werd door zijn zoon Stijn. Over zijn ervaringen tijdens de jonge jaren van Joker en wat eraan voorafging, schreef hij een boek. Wij mochten een stukje uit het eerste hoofdstuk publiceren, waarin de reis die aan de basis van Joker ligt, de hoofdrol speelt. 26 Economie-studenten van de KULeuven die in 1968 met de bus naar de Sovjet-Unie trekken, loopt dat wel goed af?

Bron: "De wereld als speelveld - Het Joker-verhaal in woord en beeld", door Bob Elsen, uitgegeven door Uitgeverij Van Halewyck in 2011. 

Een ontmoeting op het Vakantiesalon pakt anders uit dan verwacht

Lente ’68, vakantiebeurs in Brussel. Er valt tijdens die turbulente dagen heel wat te beleven in Leuven, maar toch zakken Jan Dekeersmaecker en ikzelf af naar het Heizelpaleis in Brussel. Bob Ursi, een vrolijke collegevriend, heeft er een studentenjob en promoot er ultralichte motorluchtvaartuigen. De vrije toegangskaart, de verzekering dat hij er bier tapt en het alternatief om thuis te gaan blokken, hebben ons snel overtuigd. Het biertonnetje valt kleiner uit dan verwacht en dus rest er niets anders dan de beurs te bezoeken.

Een lege reisstand met twee onwerkelijk mooie vrouwen achter de balie wekt meteen onze interesse. Binnen het bestuur van mijn faculteitskring Ekonomika heb ik net de taak van reisorganisator op mij genomen. Elke zomer vindt er een studentenreis plaats, dit jaar naar Moskou en Leningrad. Ik heb die reis voorbereid en veronderstel terecht dat ik hierdoor voldoende moeilijke vragen aan die meisjes kan stellen om de pret te laten duren.

Ze spreken Frans, maar hun ‘vrouw zijn’ is dermate dat elke gedachte aan ‘Leuven Vlaams’ en ‘in Brussel wordt Vlaams gesproken’ ons totaal vreemd blijft. Het is heerlijk. Zijn onze vragen te moeilijk of denken zij dat wij echt in de reis geïnteresseerd zijn? In elk geval komt er eentje met haar baas Claude opdraven. En die heeft een voorstel, een unieke kans, ‘une occasion inouïe’: met de bus en tenten naar Moskou, voor minder dan 200 euro per persoon. Drie volle weken via Praag, Warschau, Minsk, Smolensk, en terug naar huis via Leningrad, Helsinki, Stockholm, Kopenhagen en Hamburg. Voor iemand als ik die nog nooit in een tent overnacht heeft, laat staan er een rechtgezet, lijkt me dat wel wat. Het is mijn eerste reisbegeleiding, het is voor Claude een totaal nieuwe reis. Hierdoor ken ik de vragen nog niet die ik toen beter had gesteld, hierdoor kent hij de antwoorden nog niet die hij beter had gegeven. Maar wij zijn beiden ‘doeners’ voor wie het onbekende een onbetwiste aantrekking heeft. Toch nog even polsen of de twee meisjes als gids meegaan, maar je mag nu eenmaal niet alles verwachten. Dan je gevoel laten spreken dat dit goed komt, en inpakken.

Met een dag vertraging op weg richting het Oostblok

Op 19 juli 1968 staan in Leuven 26 enthousiaste economiestudenten vertrekkensklaar voor een reis van meer dan 6000 kilometer, waarvan het grootste deel dwars door drie landen achter het IJzeren Gordijn. Hierachter ligt een andere wereld. De Koude Oorlog tussen het communistische Oostblok en het kapitalistische Westen maakt de reeds aanzienlijke afstand nog groter. Bovendien zijn door de totalitaire staatsvorm de regimes van de Sovjet Unie en haar satellietstaten niet echt populair bij onze landgenoten, op een paar fundi’s na. Maar daar horen wij niet bij. Spijts alle Leuvense muurkranten en pamfletten van de Studentenvakbeweging kunnen de ideologische dogma’s rond Marx noch Lenin ons moeilijk overtuigen. Elk -isme, elk groot gelijk reduceert het denken. Wij blijven rustige voorstanders van de vrije meningsuiting en markteconomie. En kijken uit naar de reis en de confrontatie met het communisme.

Wanneer na vijf uur wachten blijkt dat de bus nog lang niet rijvaardig is, stellen we het vertrek een dag uit en neem ik de groep mee naar huis om te overnachten. Mee aan tafel kan thuis altijd. De volgende namiddag is de bus er. Een vriendelijke buur probeert nog mijn ouders ervan te overtuigen mij en mijn zus Gerda niet mee te sturen, of tenminste mijn zus niet. Hij is ervan overtuigd dat mijn pa en ma ons nooit gaan terugzien. Ik geef toe: de bus ziet er krakkemikkig uit en de Russen hebben zich tijdens de recente Cuba-crisis niet bijzonder populair gemaakt. We vertrekken beiden. Gerda is trouwens heel mijn leven een altijd aanwezige bondgenote.

Hindernissen en warme contacten onderweg

Achter de bus hangt een door het reisbureau in elkaar geknutseld wagentje met kampeermateriaal. Rondom zijn dikke touwen gespannen om de deurtjes dicht te houden. Maar die komen los, zodat er op de laatste bank altijd iemand van wacht is. Regelmatig steken ons auto’s waarschuwend en knipperend voorbij, maar wij stoppen slechts als er echt bagage kan uitvallen, en die grenzen worden steeds verlegd. Toen al. Nog maar in Duitsland breekt de bevestigingsstang met onze aanhangwagen af. Maar dankzij onze wacht die het karretje een andere richting de autostrade ziet opgaan en vriendelijke Duitsers die ons naar een nog vriendelijkere Duitse smid leiden, kan het wagentje toch mee op reis. En zonder dat het ons een cent kost. Dit heb ik op reis dikwijls meegemaakt. Mensen die helpen, zomaar. Mensen die weten dat ze je nooit terugzien en er toch staan.

Naar de andere kant van het IJzeren Gordijn

We staan voor het IJzeren Gordijn aan de Tsjechische grens. De prikkeldraad, de wachtposten en torens, de verdoken mijnenvelden en tankgrachten zijn zoals verwacht. Het oversteken duurt vier uur. Stevige soldaten onderzoeken de bus van onderen tot boven. Het paperassen duurt zo lang dat ik vermoed dat ze onze paspoorten vanbuiten leren. Maar de sfeer blijft best en met een glimlach mogen we verder.

Praag, hoofdstad van Tsjecho-Slowakije. Bijna twee dagen te laat komen we aan en blijkbaar heeft niemand eraan gedacht onze gastheren te verwittigen. Ik ben hier niet trots op, al was communicatie toen heel wat moeilijker. Gsm en internet bestonden nog niet. Temeer omdat deze vergetelheid zonder ophef met de mantel der liefde wordt toegedekt. We worden gelogeerd in de universiteit. En hier begint ons grootste feest. De Praagse lente. De Gouden Stad, zoals de bijnaam van Praag luidt, ligt aan de Moldau en wordt beschouwd als een van de mooiste steden van Europa. De Karlsbrug, Malá Strana, de burcht op de heuvel Hradčany, de Oude Stad: het zijn monumenten vol geschiedenis en schoonheid. Ik heb er toen niets van gezien.

Een feestelijke stemming

Twee dagen blijven we rond de universiteit discuteren, kletsen, grappen, drinken. Op 5 januari 1968 is Alexander Dubček met unanimiteit van de stemmen partijleider Antonín Novotný opgevolgd als eerste secretaris van de communistische partij van Tsjecho-Slowakije. Dubček wil een socialisme met een menselijker gezicht, democratischer en liberaler dan in de andere satellietstaten van de Sovjet-Unie. Het burgerinitiatief wordt aangemoedigd en de rol van de partij vermindert. De censuur wordt opgeheven, zodat ook buitenlandse informatie toegankelijker wordt. Als gevolg van de nieuwe vrijheid komt er een golf van volksuitingen en anti-Sovjet-demonstraties op gang. 

Massaal komen de mensen op straat, en hierin komen wij terecht. Zoveel mensen die met ons willen praten, die hun pas verworven vrijheid via ons willen consolideren, die hun vreugde en drank met ons willen delen. De intensiteit van de ontmoetingen heb ik zelden nog meegemaakt. Dit is feest, opwindend en fris, zij vol blije zekerheid over hun toekomst, wij opgenomen in hun enthousiasme. Met verhalen over een verleden dat voorgoed voorbij zou zijn. Wanneer wij hen vragen wat er gaat gebeuren als de Sovjet-Unie tot actie zou overgaan, antwoorden zij met kinderlijke naïviteit dat het Westen hen zal komen helpen. 1968 is een tijd van idealisten, wij zijn dat ook, maar idealisme gaat niet altijd samen met naïviteit. Hoewel sommigen dit graag denken. 

En de weg is nog lang

Tijd om afscheid te nemen van Praag. We rijden eerst naar Warschau. Het centrale marktplein Rynek Starego Miasta is omgeven door recent heropgebouwde kleurige huizen en is mooi. De stad is grotendeels vernield tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ons wacht een nieuwe confrontatie: een tentoonstelling toont het oorlogsverleden met schrijnende en ontroerende beelden van het getto van Warschau en van het vernietigingskamp Treblinka. De foto’s zijn schrijnend en ontroerend. Meest aangrijpend zijn Joodse kindertekeningen gemaakt in Treblinka. 

We moeten verder. De weg naar Minsk, Smolensk, Moskou is nog lang. De natuur is mooi tot indrukwekkend. In de velden zijn boeren aan het oogsten.Traditionele klederdracht, lokale architectuur, dieren, mensen, het flitst traag voorbij. De wegen laten geen hoge snelheid toe, zeker ’s nachts niet. Er is een nieuw icoon opgedoken, dat wodka heet. Om de bende ’s morgens na de nachtrit weer levend te krijgen, wordt een fles wodka doorgegeven. Om onze nuchtere magen te sparen drinken we alleen Russische Stolichnaya, later op de dag kan een Moskovskaya of een Poolse Wyborowa. Ook de Poolse wodka met minuscule goudvlokjes mag erbij. De kindertekeningen van Warschau vervagen, het is een vrolijke, ontspannen tijd.

Ik ben opgelucht als we in Moskou aankomen. Zowel bus als wagentje, de twee chauffeurs en wij hebben het gehaald. Geloof verzet nu eenmaal bergen, ook in Rusland, en we zijn erin blijven geloven. Het Rode plein, het Kremlin, de Sint-Basiliuskathedraal, de Michaëlkathedraal, de universiteit, het GUM-warenhuis, de juwelencollectie in het wapenmuseum: ze vormen een onbetwiste beloning voor de fysiek en psychisch toch wel zware reis.

Deskundigheid op de zwarte markt en veel luxe

In Moskou ervaar ik voor het eerst wat de term ‘westerse privileges’ betekent. Een broeder van de Leuvense Orde van de Slabberdoeken maakt deel uit van ons reisgezelschap. Karel is een fijne kerel, econoom, en verwerft helemaal onze appreciatie door zijn deskundigheid op de zwarte markt. Zo krijgen wij de roebel tegen dertig cent, terwijl de officiële koers 1,5 euro bedraagt. Hierdoor kunnen wij ons alles permitteren: kaviaar, de betere wodka’s en champagnes, luxerestaurants, cadeautjes uit winkels waar bijna niets te krijgen is. Wij kopen waar we zin in hebben. En men kijkt naar ons. Vol verbazing omdat we nog zo jong zijn en er op een paar uur kunnen doorjagen waar zij een week of maand voor moeten werken.

Ik had discreter kunnen zijn. Die confrontatie is het voorwerp van vele gesprekken. Het aanwezige gevoel van onrechtvaardigheid vermindert naarmate er meer lege wodkaglaasjes op de toog komen. Wij praten dan nog meer met elkaar, en dan blijft een gesprek groeien zolang men de andere zijn waardigheid laat. In de volgende jaren zal ik dit opkijken naar het Westen – en de vermeende associatie dat materiële welvaart ook geluk betekent – nog vaak ervaren op reis in India, Mali, Rwanda, Guatemala en noem maar op.

Wodkacantus met logistieke hulpactie

We blijven studenten en niets raker dan een wodkacantus om Rusland af te sluiten. Het wordt een mooie avond, midden in het bos, ieder met zijn codex, zijn kampeerstoeltje en zijn fles wodka. Al moet ik na het laatste lied wel een logistieke hulpactie organiseren omdat een kwart van de deelnemers zich niet meer kan bewegen. Voor iedereen die wel nog kan stappen een verrukkelijk tafereel. Zelden heb ik zoveel nachtelijke dankbaarheid gekend als van de zes personen die we naar hun tent droegen en hen erin kieperden.

We rijden door Finland, nemen de boot naar Stockholm, verder door Denemarken, en staan op 12 augustus om zes uur ’s ochtends terug in Leuven. ‘Mama, heb je genoeg brood in huis?’

 

 

En er is meer...

Benieuwd naar hoe deze studentenreis de kiem legde voor reisorganisatie Joker? En hoe deze uitgroeide tot het wereldwijde Joker ViaVia Netwerk van vandaag?